..:: www.pha.be ::..
Contact | Login Medewerkers | Grotere letters: zoom in | Zoeken:
 
 
We kunnen ons maar voorstellen
wat de wereld en de mensen
in zich dragen, voelen, beleven,
als we de wereld van die mensen
langzaam, voorzichtig en innig
intreden.
 
Claire vanden Abeele
 

1. Kinderen, verlies en rouw: inleiding.

 
Verlies en afscheid, loslaten en de dood maken evenzeer deel uit van een kinderleven als spel en plezier. Het verdriet van kinderen in deze situaties is even reeël en even intens als dat van volwassenen. Kinderen hebben wel een heel bijzondere manier om met verlies en verdriet om te gaan. Ze zijn in staat om blije en verdrietige momenten naast elkaar te laten bestaan. Ze ontwikkelen ook een heel aparte vorm van spiritualiteit. Volwassenen kunnen zoveel van hen leren. (Zorg'Saam vzw)
 
Mythes rond kinderen en verlies. 
Gevoelens, behoeften en vragen van kin­deren worden niet altijd goed begrepen of erkend. Dit komt doordat er nog steeds een aantal mythes en misverstanden leven over hoe en of kinderen betrokken kunnen wor­den bij het afscheid nemen. Deze mythes doen vaak onrecht aan het ingrijpend karak­ter van verlies en kunnen het zorg dragen voor kinderen in verdriet verhinderen.
Enkele voorkomende mythes zijn:
  • Kinderen zijn te jong om verlies te ervaren en te rouwen: Uit ervaring weet men dat een kind zodra het oud genoeg is om een volwassene als constante persoon te herkennen en te er­varen, ook oud genoeg is om te rouwen. Jongere kinderen zijn op een leeftijd van minder dan achttien maanden in staat om liefde te geven en te ontvangen. Weliswaar zijn ze niet in staat om hun verlies op ver­bale wijze te uiten, maar ze drukken dit wel uit op heel wat andere manieren. Als men jonge kinderen niet ondersteunt en verzorgt als ze worden geconfronteerd met het verlies van een primaire relatie, kunnen ze gebrek aan vertrouwen ontwikkelen in de wereld om hen heen.  
  • Kinderen die te veel huilen zijn zwak en schaden uiteindelijk zichzelf: Huilen is de natuurlijke en reinigende actie van het lichaam als men zich niet goed voelt. Het helpt kinderen om zich van interne spanningen te ontdoen en communiceert hun behoefte om te worden getroost. Kin­deren houden soms hun tranen in omdat ze zich de houding eigen hebben gemaakt van volwassenen, die erom vraagt dat gevoelens niet worden geuit, of omdat ze om zich heen hebben gezien dat ze hun tranen terugdrin­gen. Veel volwassenen associëren huilen met persoonlijke zwakte en inadequaat gedrag. Als kinderen huilen, voelen volwas­senen zich vaak hulpeloos.
  • Kinderen zijn te jong om de dood te begrijpen: Abstracte begrippen als dood bespreekbaar en begrijpbaar maken voor kinderen is niet gemakkelijk, maar het is een opdracht die we serieus moeten nemen als we proberen rouwende kinderen te helpen, Kinderen hebben vaak verrassende reacties als er over dood wordt gepraat. Kinderen proberen op allerlei manieren uitdrukking te geven aan de wijze waarop zij dood en sterven begrijpen. Het komt erop aan hier op deze momenten voor open te staan en in te gaan op wat ze vragen en zeggen. Als volwassenen hier zelf bang voor zijn, brengen ze op deze momenten wellicht hun eigen angst over op hun kinderen.
    Kinderen hebben behoefte aan uitleg die bij hun leeftijd past. Maar men moet niet op alles een antwoord kunnen geven. Kinderen kunnen dat aanvaarden.
  • Rouwende kinderen groeien op tot problematische volwassenen: Men moet op zijn hoede zijn als men hoort hoe volwassenen kinderen benaderen met een attitude alsof ze voor altijd door dit verlies aangetast zullen zijn. Rouwende kin­deren zijn geen beschadigde goederen. Als de volwassenen de condities creëren waar­onder kinderen op een gezonde manier kun­nen rouwen, is er geen enkele reden voor de self-fulfilling prophecy dat kinderen voor de rest van hun leven beschadigd zullen zijn door het verlies van een dierbaar iemand. Het klopt dat rouwende kinderen risico's lo­pen om later emotionele problemen te krij­gen, maar alleen als zij niet op een adequate manier zijn opgevangen in hun rouwproces. Als we kinderen echter de kans geven om hun verdriet te beleven in een zorgende en veilige relatie of omgeving, dan zullen ze zich goed ontwikkelen.
  • Een rouwproces van kinderen ver­loopt in voorspelbare fasen: Men maakt gebruik van het fasenmodel om rouw te verwerken om zo vat te krijgen op een gebeuren dat niet op deze geordende en logisch lijkende manier verloopt. Geen twee kinderen zijn gelijk. Geen twee kinderen rouwen op dezelfde manier, ook al herkent men reacties en emoties in het rouwproces. Men maakt het echter moeilijk als men als volwassene probeert voor te schrijven hoe een kind het verlies moet ervaren en ver­werken.
  • Kinderen rouwen slechts korte tijd: Op het moment dat het kind wordt gecon­fronteerd met het verlies, ziet men soms een hevige reactie, en achteraf gaat een kind soms verder alsof er niets is gebeurd. Dit geeft volwassenen de indruk dat kinderen er snel overheen zijn. Veel volwassenen begrij­pen echter niet dat rouwen een proces is en niet een gebeurtenis. Volwassenen die ho­pen dat kinderen snel herstellen en erover­heen zijn, stralen vaak ook de houding uit naar kinderen dat ze zich sterk moeten hou­den. Hiermee beschermen ze echter zichzelf. Als kinderen er snel overheen zouden zijn, dan moeten ze niet telkens klaarstaan als een kind wordt geconfronteerd met de pijn van het verlies.
    Hoe lang kan een rouwproces dan duren bij een kind? Als de omstandigheden ideaal zijn en een kind actief kan werken aan de behoeften die zich in een rouwproces voor­doen, met de nodige steun van zogenaamde volwassenen en familieleden, kan dit drie tot vier jaar duren. En dit wil niet zeggen dat het dan voorbij is. Het komt vaak terug op belangrijke momenten in het leven, zoals het gemis van een moeder op de dag van de plechtige communie, enz.
  • Men moet kinderen over het verlies heen helpen: Praten over de verwerking van verdriet sug­gereert dat het op een bepaald moment over en achter de rug moet zijn, Gezond omgaan met verlies kost echter een hele tijd. Het gaat niet om eroverheen te raken, maar veeleer om ermee te leren leven. Als men denkt dat men het moet oplossen, kan men kinderen remmen. Verwerken betekent zich realise­ren dat het leven anders zal zijn zonder deze persoon, dat men hem of haar nooit zal ver­geten, maar dat het leven verdergaat.
  • Ouders moeten hun verdriet verber­gen voor hun kinderen: Het is een probleem als ouders proberen hun eigen verdriet voor hun kinderen te verbergen om hen meer pijn te besparen. Als ouders regelmatig hun verdriet proberen te verbergen voor hun kinderen, dan leren ze hun kinderen hetzelfde te doen. Als kinde­ren hun ouders verdrietig zien dan leren ze dat het oké is en dat het zich triest voelen niet hun fout is. Als kinderen dit niet leren van hun ouders, zitten ze soms met het gevoel dat zij verantwoordelijk zijn voor de sfeer die in het gezin leeft. Een van de meest helpende dingen die ouders kunnen doen is zichzelf toestaan verdriet te ervaren.
    Volgens Manu Keirse: de eerste stap om kin­deren te helpen is zichzelf te helpen.
Waarop berusten deze mythes?
Vaak berusten deze mythes of misverstan­den op onmacht of angst van de ouders, maar ook van de hulpverlener. Als men vroeger zelf een erg pijnlijk of schokkend afscheid heeft meegemaakt, kan men hier schrik voor hebben en dit een kind niet wil­len aandoen. Dit is normaal en begrijpelijk. Meestal weet men als hulpverlener ook niet voldoende over hoe kinderen reageren op verlies, wat kan resulteren in onzekerheid en onwennigheid.
 
Hoe denken kinderen over de dood?
Kinderen gaan anders om met de dood naargelang hun ontwikkelingsniveau. Jonge kinderen vullen het doodsbegrip anders in dan oudere kinderen. Zicht krijgen op hun denkontwikkeling over de dood is belangrijk in het omgaan met kinderverdriet. Kanttekening hierbij is dat hoe jonger het kind is, hoe minder het echt begrijpt. Dat wil niet zeggen dat het kind niet veel kan voelen, ervaren en opvangen, hoe klein het ook is. Ook blijft het zo dat het niet klopt dat een kind waaraan niets wordt gezegd ook niets weet. En dat wat in die kleine hoofdjes omgaat aan fantasie en mogelijke angst soms veel lastiger is dan de realiteit. De leeftijd, en vooral het ontwikkelings­niveau, speelt een belangrijke rol in het denken en begrijpen van de dood. maar ook wat de kinderen reeds hebben doorgemaakt en vooral hoe ze hierin werden begeleid en opgevangen. Volgende schets is dan eerder een leidraad:
  • 0-3 jaar:
    • Hebben geen echt besef van de dood, kennen nog geen onderscheid tussen le­vende en niet levende dingen (een knuffeltje leeft ook echt voor een peuter).
    • Kennen wel scheidingsangst, angst om weg van mama of papa te zijn. Ze voelen gemis, kennen gevoelens van verloren of alleen zijn en kunnen dus verdriet voelen. Als een baby een belangrijke ver­zorger verliest, zal hij hierop reageren. Hij voelt dat er op een andere manier geknuffeld wordt, op een andere manier met hem wordt omgegaan. Als een baby na een tijdje voelt dat er een vervanger is voor de weggevallen persoon, en hij in zijn behoeften wordt voorzien, past hij zich aan.
    • Reageren vanuit hun behoeften en heb­ben geen angst voor de dode.
  • 3-6 jaar:
    • Beginnen het verschil te kennen tussen wat leeft en wat niet leeft, maar zonder dit verschil echt te begrijpen, Een kleu­ter kan nog helemaal opgaan in zijn fan­tasiewereld en leert maar stapsgewijs de grens tussen realiteit en fantasie, tussen zijn dromen of wensen en de werkelijk­heid te trekken.
    • Begrijpen de dood niet als definitief, als afscheid voor altijd. De dood is zoiets als op reis gaan, even weg zijn, slapen... De overledene leeft als het ware ergens anders verder, bijvoorbeeld op het kerk­hof.
    • Beginnen de link te leggen tussen dood en verdriet hebben, maar kunnen nog niet lang stilstaan bij hun gevoelens en kunnen wat ze voelen ook niet goed uiten. Een kleuter staat nog niet ver ge­noeg in zijn taalontwikkeling.
  • 6-9 jaar:
    • Beginnen al iets meer van de dood te begrijpen, zonder al echt om te kunnen gaan met deze inzichten, gedachten en gevoelens.
    • De dood wordt op deze leeftijd nog vaak gezien als iemand die je komt halen en waaraan je kan ontsnappen.
    • Beginnen te begrijpen dat de dood defi­nitief en onomkeerbaar is, maar kunnen nog te weinig abstract denken. 'Nooit meer is voor altijd' is moeilijk te begrij­pen.
  • Vanaf 9 jaar: 
    • Begrijpen dat de dood het definitief op­houden is van het lichamelijke leven.
    • Begrijpen dat de dood het einde is van elke vorm van leven, een onomkeerbare toestand waarin de overledene niets meer voelt, weet, hoort of ziet.
    • Beginnen steeds beter te begrijpen dat ook hun leven eindig is, dat ook zij eens zullen doodgaan.
    • Durven niet altijd vragen stellen omdat ze al 'groot' zijn. Ze tonen hun gevoelens vaak in andere reacties dan huilen of proberen in hun eentje hun verdriet op te lossen.
  • Adolescenten
    • Een adolescent lijkt in zijn reacties op de dood erg op een volwassene, maar deze ge­voelens kunnen gecompliceerd worden door de problemen van de puberteit. Ze hebben het moeilijk om volwassen te worden en op eigen benen te leren staan. De adolescent kan verscheurd worden tussen dit proces en het gevoel je nodig te hebben zoals toen hij een kind was.
      De relatie met de overblijvende ouder was misschien voor het overlijden al erg wis­selvallig. Hij zal misschien schuldgevoelens krijgen dat zijn gedrag heeft bijgedragen aan het overlijden. Misschien heeft hij wel eens gewenst dat de ziekte voorbij was, en voelt hij zich nu schuldig om die gedachten. Het kan helpen om hem uit te leggen dat veel mensen dit soort gevoelens hebben, als ie­mand van wie ze houden, overleden is. Het is mogelijk dat de adolescent zijn rouw voor zich alleen houdt tot hij een vertrou­wenspersoon gevonden heeft om het mee te delen, misschien een vriend of een leef­tijdsgenoot.
      Van de jongere mag niet verwacht worden dat hij de verantwoordelijkheden van de overledene op zich neemt. Probeer hem niet te belasten met de moeilijkheden waar je als volwassene mee te kampen krijgt. Hou hem echter nergens buiten, hij heeft het nodig te weten wat er gaande is. Vraag hem raad, respecteer zijn gevoelens en stel hem gerust. Oudere kinderen hebben vaak veel bij te dra­gen, dus moedig hem aan als hij wil helpen. Wees echter ook bedacht op de geldende regels in huis. Omdat je vaak andere zaken aan je hoofd hebt, is het voor de jongere gemakkelijk te denken dat het niet uitmaakt waar hij is of wanneer hij thuiskomt. Maak hem duidelijk dat net in deze periode het belangrijk is om dit wel te weten. Misschien kan een volwassen vriend/familielid van hetzelfde geslacht als het kind, iemand die je vertrouwt, wat meer betrokken worden in het gezin. Dit zal de jongere de mogelijkheid bieden om zich te identificeren en ook nog op iemand anders terug te vallen,
 

Hoe rouwen kinderen?

 
Men kan anderen geen zelfrespect geven
maar men kan wel naar hen luisteren op
een wijze
die hen de eigen innerlijke krachten doet
ontdekken
en het eigen zelfrespect doet vinden
 
Charleszetta Waddies (1912-2001)
 
 
Kinderen rouwen ook, maar anders dan volwassenen. Kinderen rouwen in de allereerste plaats als kinderen, in hun ontwikkelingsfase, met hun mogelijkheden om te denken, te voelen, te uiten en te ver­werken, en dat in hun persoonlijke stijl en binnen hun sociale omgeving. Om hoe dan ook te overleven als kind, als mens, is het van essentieel belang dat een baby of een kind zich hecht aan mensen. Het zich kunnen hechten, een band opbouwen en die ook voelen, heeft als natuurlijk gevolg dat kinderen ook verlies kunnen ervaren, verdriet en gemis kunnen hebben.
 
 
Midden in het gewone leven:
Kinderen rouwen midden in het gewone leven. Ze rouwen niet op bevel, wanneer iedereen het doet, op het moment dat het ons goed uitkomt, of wanneer wij verwach­ten of wensen dat ze het zouden doen. Als in een vlaag kan het verdriet kinderen overspoelen, vaak op momenten dat nie­mand, ook zijzelf niet, dat verwachten. Het kan heel verwarrend zijn. De aanleidingen kunnen zeer divers zijn: werken aan de nieuwjaarsbrief in de klas, iets maken voor moeder- of vaderdag, zien hoe een vriendje door zijn vader wordt opgehaald van school, een brief meekrijgen van school gericht aan de 'geachte ouders' als een van beide ouders is overleden ...
Kinderen verbergen vaak hun verdriet voor hun ouders. Soms vinden ze dat hun ouders al genoeg verdriet hebben en zijn ze bang dat ze ziek zullen worden als er nog meer verdriet bij komt.
Een nabije relatie tussen ouders en kinderen maakt het niet altijd makkelijker om verdriet te delen. Hoe dichter men bij elkaar staat, hoe meer men ook eikaars pijn voelt. De pijn van de ouders bovenop de eigen pijn kan te zwaar zijn om te dragen. Er wordt binnen hetzelfde gezin vaak in verschillende kamers onder de lakens gehuild zonder dat men het verdriet bij elkaar durft te leggen. Soms is het makkelijker om het verdriet te uiten op school, als er een leraar beschikbaar is die in staat is om een zekere veiligheid te creëren. Het kan ook dat een kind zich thuis zo sterk heeft gehouden, dat het verdriet bij de minste aanleiding op school naar buiten stroomt.
Kinderen beginnen soms te praten op momenten waarop volwassenen dat niet verwachten, 's Avonds bij het slapengaan, als men nog even in hun kamer komt, of als men naast elkaar in de auto zit (dan kan men elkaar niet recht in de ogen kijken en kijkt men als het ware naast elkaar vooruit). Het is belangrijk om tijd te maken als het moment zich voordoet en als het ware de onverwachte momenten te verwachten. De boodschap is: zet de pannen even van het vuur, leg de telefoon neer, en ga zitten om te luisteren.
 
In korte en intense episodes:
Kinderen zijn niet in staat lange tijd en intens met het verdriet bezig te zijn. Hun capaciteit om de pijn te verdragen is beperkt. Ze weten hoeveel pijn ze op een gegeven moment kunnen dragen en wanneer ze hun limiet bereiken. Daarom vermijden ze vaak ook om erover te praten. Dat is de reden waarom ze met onderbrekingen en soms gedurende jaren bezig zijn met het verlies. Alternerend zien ze het onder ogen en ont­wijken ze het. Volwassenen begrijpen dit soms niet. Als een kind na de dood van zijn moeder zijn tranen droogt en gewoon verder gaat spelen, betekent dit niet dat het niet begrepen heeft wat men heeft gezegd, Het is wel zo dat de emoties van kinderen zeer explosief kunnen zijn in vergelijking met die van ouderen. Volwassenen hebben vaak moeite met de explosiviteit van deze emoties, omdat ze niet goed weten hoe ze hiermee moeten omgaan. Het is belangrijk dat men kinderen deze explosieve emoties laat uiten zonder dat ze zich hier schuldig over voelen. Aandach­tig luisteren naar de ondergrond van de emoties, hun het gevoel geven dat ze deze emoties mogen uiten en proberen correct te antwoorden op de vragen die aan de basis liggen, kunnen helpen. Hierdoor kan men kinderen leren dat gevoelens niet goed of slecht zijn, dat men er niet voor kiest om deze gevoelens te hebben. Het is het best om te aanvaarden dat ze er zijn, dat ze natuurlijk zijn en wel zullen overgaan als ze voldoende worden geuit en niet worden opgekropt.
 
Tijdelijke regressie na verlies:
Men ziet bij kinderen na het sterven van een dierbaar iemand vaak een terugval in hun functioneren. Een kind dat al een tijdje zindelijk was, verliest dit weer. Normaal zelfstandige kinderen worden sterk aan­hankelijk. Een kind dat graag deelt, wordt zeer bezitterig. Ze krijgen hun leven minder gestructureerd dan voordien. Soms verliezen ze alle controle over zichzelf. Adolescenten komen er soms niet toe iets te ondernemen en blijven maar rondhangen. Men ziet soms hoe ze slordig schoolwerk af­leveren terwijl ze voorheen zeer nauwkeurig waren. Ze kunnen op momenten met hun gedachten afwezig zijn en niet in staat om zich normaal te concentreren. Men moet regressie eerder zien als een on­derbreking, een soort pauze die ze nemen in de rouw, eerder dan het als een probleem te beschouwen. Kinderen keren als het ware terug naar een gedrag en een tijd waarin ze werden verzorgd, waarin het leven nog veilig en zonder ellende was. Regressie kan ook een roep zijn om meer aandacht. Ouders zijn vaak zo bezig met hun eigen verdriet, dat ze weinig aandacht hebben voor wat de kinde­ren bezig houdt. Met dit regressieve gedrag proberen ze de aandacht van volwassenen voor enige tijd op zich te richten. Als het regressieve gedrag bestaat uit asoci­aal, totaal onaangepast of bijna crimineel ge­drag, dan is het belangrijk dat men in plaats van eerst aan straf en vergelding te denken, in de eerste plaats stilstaat bij de betekenis van dit aandacht zoekende gedrag en op een attente wijze duidelijk maakt dat er andere manieren zijn om aandacht te krijgen.
 
Uitleven in actie en spel:
Volwassenen praten over hun verdriet of denken na over het gebeurde. Bij jonge kinderen zijn verbale en mentale mogelijk­heden soms nog niet voldoende ontwikkeld om hun verlies op deze manier te verwerken. Men ziet dan vaak hoe ze hun verdriet uitwerken in hun spel of gedrag. Als men het heeft over uitleven in actie, mag men niet vergeten dat voor kinderen hun spel hun werk is. Spelen is het meest na­tuurlijke instrument voor communicatie bij kinderen, In hun spel kunnen ze zich op een veilige manier uiten. Ze spelen als het ware angstwekkende gebeurtenissen na en probe­ren ze zo onder controle te krijgen. Zo ziet men dat kinderen proberen een begrafenis na te spelen. Of ze zullen in de zandbak een put graven om te zien hoe diep ze moeten graven om in de hemel te komen, want de hemel moet onder de grond zijn, aangezien men een overledene daar begraaft en zegt dat hij naar de hemel is. In hun spel pro­beren ze een situatie te beheersen en even het verdriet te vergeten. Dit betekent niet dat ze niet aangedaan zijn door het verdriet. Ze gaan ermee om op hun eigen manier. Het spel van kinderen is iets als het discus­siëren, bespreken en uiten van gevoelens bij volwassenen. Spel is de taal van kinderen. Volwassenen zijn soms verrast dat kinderen kunnen gaan spelen alsof er niets aan de hand is. Maar juist omdat ze ermee bezig zijn, gaan ze soms spelen.
Spel is één manier waarop kinderen hun ervaringen een plaats geven in hun wereld. Als zij schilderen of tekenen, hun pop aan­kleden of spelen in het zand werken ze uit wat ze innerlijk beleven. Het is hun werk. Sommige kinderen brengen hun agressie en frustratie naar buiten in duwen, trekken, stampen en bijten naar anderen. Sommigen creëren een gelukkiger afloop door de dokter te spelen die de patiënt reanimeert. Kinderen hebben nog niet dezelfde mogelijk­heden als volwassenen om hun emoties te ordenen in een begrijpelijke context. Ze zijn aangewezen op andere uitingsvormen. Als men ziet dat ze 'dood' of 'begrafenis' spelen en dat ziet als normale reacties, kan men er als volwassene ook rustiger op reageren.
Door erover te praten en kinderen de kans te geven hun verhaal te doen helpt men hen om controle te krijgen over deze gebeurtenis­sen. Welk gedrag men ook ziet, het is belang­rijk te onderkennen dat het een betekenis heeft. Het kan telkens een aanleiding zijn om het kind beter te begrijpen.
 
Vernieuwde rouw bij belangrijke ver­anderingen:
Wanneer er zich belangrijke veranderingen voordoen in het leven, komt er soms een vernieuwde aanval van gevoelens van gemis. Soms kan men dat moment voorspellen, zo­als het verhuizen uit een woning waarmee heel wat herinneringen waren verbonden. Verhuizen uit een vertrouwde omgeving is voor kinderen vaak een ingrijpend gebeuren, waar men soms weinig bij stilstaat. Naast te verwachten veranderingen zijn er ook heel wat momenten waarop men een nieuwe aanval van verdriet niet verwacht. Vooral als het aangename gebeurtenissen betreft, zoals thuiskomen met een goede uitslag van de middelbare school. Op zulke momenten kan men heel erg iemand missen die trots is op zijn prestatie, en die zegt dat men dat goed heeft gedaan. Of als er zich één of andere verandering voordoet in de gezinssituatie.
Telkens als kinderen een nieuwe emotionele of mentale stap zetten in het groeiproces kan men verwachten dat ze het oude verlies herbeleven. Ze ervaren het nu anders en begrijpen het ook op een andere manier, In een nieuwe levensfase of levenssituatie krijgt ook het vroegere verlies een nieuwe betekenis, Rouw blijft zowel in de kinder­jaren als in het latere volwassen leven een kruispunt.
Als wordt gesproken over een kruispunt in het leven, wordt duidelijk bedoeld: een mo­ment waarop men gewoon verder kan gaan, een andere richting uit kan gaan, of gewoon kan blijven stilstaan. Vaak gaat men vanaf dat moment anders door het leven, maar het kleurt ook de toekomst anders in. Door verlies op jonge leeftijd wordt een kind op een bepaalde weg gezet die, zoals alle we­gen, vol zit met zijwegen, kuilen en rechte stukken. Via deze weg zal het kind zich ont­wikkelen tot een bepaalde individuele man of vrouw. Zou een andere weg beter geweest zijn? Wie weet dat? Je kunt alleen maar zeg­gen dat het anders zou geweest zijn.
 
Uitgestelde rouw.
Uit diverse studies (Worden, 1996) weet men dat nogal wat kinderen na het sterven van een ouder soms pas het tweede jaar na het overlijden rouwreacties laten zien. Bij het sterven van een broer of zus, ziet men vaak vijf jaar na de dood gedragsveranderingen die naar het sterven verwijzen, optreden (Rosen, 1996).
Waarom stellen kinderen gedeelten van het rouwproces gedurende lange tijd uit? Rouw kan verwarrend zijn - zowel voor volwasse­nen als voor kinderen - en kinderen moeten voldoende veiligheid ervaren om zich over te durven geven aan de chaotische gevoelens en gedachten in hen. In de eerste weken na een sterfgeval is thuis meestal alles anders dan voordien, en dus onbekend en onveilig. In deze sfeer kan een kind met zijn verdriet niet terecht. Het moet eerst weten dat aan zijn basisbehoeften tegemoet zal worden ge­komen. Men mag kinderen niet bekritiseren omdat ze vooral bezorgd zijn, egocentrisch over hun eigen persoonlijke problemen na de dood van een ouder. Ze kunnen zeer reële vragen stellen zoals: Wie zal mij nu naar de muziekschool brengen, wie zal elke morgen mijn haar kammen, wat is er om te eten? Ze schuiven soms het rouwen voor zich uit tot ze voelen dat voldaan is aan hun behoefte aan fysieke en psychologische veiligheid. Er is weinig verandering in hun gedrag, behalve wat teruggetrokkenheid en misschien een achteruitgang in hun prestaties op school, en plotseling, heel wat later, breken hun tranen en hun verdriet door, soms op het moment dat de familie haar veiligheid terugvindt. Nu pas voelt het kind zich veilig genoeg om zijn verdriet te uiten. Soms ziet men ook dat kinderen met hun verdriet terechtkomen bij een leraar, een oom of een andere ver­trouwde persoon. Die kan het gevoel geven dat het kind daar veiliger terecht kan dan in de emotionaliteit van het gezin. Het kan één of twee jaar of nog langer duren voordat een kind zich veilig genoeg voelt om bepaalde aspecten van zijn verdriet toe te la­ten. Ondertussen probeert het vaak alles wat aan de overledene herinnert te vermijden en ontloopt het elke bespreking van gevoelens. Adolescenten zijn soms druk bezig en probe­ren alle gevoelens van rouw opzij te zetten door hun activiteit. Zij houden ondertussen in de gaten wanneer ouders zo ver zijn dat ze ook met hun verdriet kunnen komen. Ze voelen vaak haarfijn aan wanneer ouders klaar zijn om om te gaan met de pijn die zij voelen. Ondertussen is het belangrijk hun het gevoel te geven dat al deze gevoelens er mogen zijn, dat ze er altijd over mogen pra­ten, maar dat niets moet. Soms moet men jaren geduld hebben.
 
Een andere factor die kinderen en jongeren het verdriet vaak doet uitstellen, naast de sfeer van onveiligheid, is het feit dat ze een zekere behoefte hebben om bij de groep van hun leeftijdgenoten te horen en zich door hen aanvaard te voelen. Ze hebben dan ook de neiging zich te gedragen zoals hun leef­tijdgenoten, te streven naar overeenkomstig­heid. Wanneer iemand uit hun directe leefkring sterft, maakt dit gebeuren hen anders dan hun leeftijdgenoten. Zoals het belangrijk is kinderen ervan te verzekeren dat iemand voor hen zal blijven zorgen na de dood van een dierbare, is het evenzeer van groot belang dat leerkrachten en vrienden van schoolgaande kinderen hen verzekeren dat de vriendschap en de waardering blijven. Kinderen die rouwen om het verlies van een familielid of vriend, zijn in een kwetsbare positie. Ze waarderen open communicatie waarin hun waarde en hun belangrijkheid als persoon worden erkend. Onhandige reacties van volwassenen en leeftijdgenoten geven hun soms het tegen­overgestelde gevoel.
 
Signaalgedrag:
Kinderen zenden signalen uit als het hen niet goed gaat. Deze signalen herkennen en leren begrijpen is van groot belang. Wij volwassenen hebben het daar moeilijk mee, omdat signalen van kinderen zo anders zijn, vooral ook omdat ze niet verbaal zijn. Als vervelend gedrag of kwaadheid het boven­drijvend gevoel blijkt dan wordt ons ant­woord heel dikwijls 'straffen'. We reageren eveneens vanuit onze kwaadheid. Vaak ver­geten we eventjes achter de getoonde emotie te kijken, aandachtig te zijn voor het waarom van een bepaald gedrag. Plotse gedragsveranderingen zijn dikwijls heel typerend voor een signaalgedrag na een verlieservaring. Dit kunnen we herkennen door zelf een beetje kind te worden en open te staan voor de beleving van kinderen. Het vergt tijd en engagement om het kind hierin te leren kennen.
Hieronder vind je enkele voorbeelden van signaalgedrag volgens leeftijdsgroep:
  • Bij kleuters:
    • heel hard huilen, overgaand in roepen
    • slaapproblemen
    • overgevoeligheid en voortdurend vragen stellen
    • weer bedwateren
    • angstig worden; weggaan betekent dikwijls bang zijn dat je niet meer terug­komt
    • lief en aanhankelijk, dan weer hevig en agressief
    • extreme dingen doen, vb. stoelgang smeren
    • angstdromen
    • zeuren, continu aan moeders rokken hangen (aandacht eisen!!)
    • lichamelijke klachten: buikpijn
    • eetproblemen: niet willen eten
    • destructief gedrag
    • bewust slaan, bijten, stampen
    • terug duimzuigen
    • hyperbeweeglijk zijn
    • babytaaltje hanteren
  • Bij lagereschoolleeftijd:
    • ongelukkige, verdrietige uitstraling heb­ben
    • hulpeloos gedrag: aandacht opeisen
    • ontspoorde angst
    • overactief bezig zijn
    • veel huilen
    • terug bedplassen
    • plots stotteren
    • agressief gedrag
    • concentratiestoornissen: slechte school­rapporten
    • eetproblemen
    • vernielzuchtig gedrag
    • slaapproblemen
    • nors gedrag
    • teruggetrokken gedrag, geen interesse
    • zelfpijniging
    • sneller prepuber gedrag
    • steelgedrag
    • weglopen
    • bedreigende taal
    • depressie
    • overdreven verantwoordelijkheden op­nemen
    • jaloezie
    • stoerdoenerij
  • Bij adolescenten: 
    • vandalisme
    • vluchtgedrag
    • agressie
    • alcohol en drugs
    • seksueel experimenteren
    • kicks opzoeken
    • eetstoornissen
    • zelfmoordpogingen
    • lichamelijke klachten
    • zelfpijniging
    • hyperventileren - angst
    • onverschilligheid


Kinderen ondersteunen in hun rouwproces
 
Zoveel soorten van verdriet
Ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en
scheiden.
En niet het snijden doet zon pijn,
Maar het afgesneden zijn.
 
M. Vasalis
 
Geef de juiste informatie en vertel kinderen de waarheid:
Het is van belang dat kinderen verteld wordt wat de oorzaak van het overlijden is. De feiten hieromtrent dienen, hoe ernstig die ook zijn, niet voor hen verborgen te worden. Als dit wel gebeurt, bestaat het gevaar dat kinderen via anderen dingen te horen krijgen die ze zelf niet wisten. Wees duidelijk en vertel de waarheid over wat er gebeurd is. Leg concreet uit wat dood betekent en bedenk geen 'verzachtende' omstandigheden om kinderen te sparen. Later zullen zij de waarheid (willen) weten en verward of boos raken als deze hun eerder onthouden is. Dit betekent echter niet dat ouders altijd alle antwoorden paraat moeten hebben: zij kunnen uiteraard best aangeven dat ze het antwoord op bepaalde vragen niet hebben. Het kennen van de feiten is essentieel voor het verwerken van het verlies. Kinderen dienen te weten wat er gebeurd is, dienen zo mogelijk met eigen ogen te zien dat de ander dood is. Pas dan kunnen ze er gevoelens over hebben. Indien kinderen de feiten onthouden worden, gaan ze fantaseren, hopen op een terugkeer van de overledene of kunnen zij angstig worden: 'Waarom heeft papa geen dag gezegd?'.
Voor jonge kinderen kan spel een hulpmiddel zijn om uitleg te geven over de toedracht van het overlijden: bv. met speelgoed het ongeluk naspelen waarbij vader om het leven is gekomen.
Sommige ouders geven verklaringen voor het feit dat de overledene er niet meer is die veel verwarring kunnen scheppen. Enkele voorbeelden: 'papa is weggegaan', 'je moeder is op een verre reis'. Deze verklaringen kunnen veel vragen oproepen. Kinderen kunnen zich bijvoorbeeld afvragen waarom vader weg is gegaan zonder gedag te zeggen of zich afvragen of moeder niet genoeg van hun hield. Een ander voorbeeld is: 'God wilde vader bij zich hebben in de hemel.' Dit kan leiden tot boosheid gericht op God, of tot angst dat hij ook andere dierbaren bij zich zal willen hebben en dood zal laten gaan. Een laatste voorbeeld is: 'Papa is ingeslapen en wordt nooit meer wakker.' Dit kan leiden tot angst om te gaan slapen en de angst dat ook anderen mogelijk niet meer wakker worden als ze gaan slapen.
 
Geef kinderen de tijd om de dood te begrijpen:
Kinderen hebben veel vragen. Beantwoord deze keer op keer. Accepteer dat kinderen soms door deze vragen of hun verdriet in beslag genomen zijn en daarna weer verder spelen of liever bij een vriend of vriendin op bezoek gaan. Heb geduld: het kan een tijd duren voordat kinderen begrijpen wat er gebeurt en gebeurd is. Hierin verschillen zij niet eens zo veel van volwassenen: ook kinderen vinden het moeilijk om te geloven dat de overledene er niet meer is en dat deze nooit meer terug zal keren. Door het blijven stellen van (dezelfde) vragen controleren zij of het verhaal nog steeds hetzelfde is en of het geen boze droom is. Hierdoor kan het verlies geleidelijk aan een plaats krijgen.
 
Laat uw eigen gevoelens aan de kinde­ren zien:
Het is van belang dat ouders hun eigen verdriet niet voor hun kinderen verbergen of wegstoppen. Als ouders bij hun kinderen weglopen als zij verdriet hebben of alleen met anderen over het verlies praten, dan kunnen kinderen de indruk krijgen dat gevoelens niet geuit mogen worden. Het kan bovendien vragen oproepen: 'Waarom is mama zo stil, heb ik iets verkeerds gedaan?' Maak hun duidelijk dat u niet verdrietig bent om wat het kind gedaan heeft, maar leg uit dat u verdrietig bent om het overlijden. Wek niet de indruk dat uw kinderen u moeten ontzien omdat u verdrietig bent. Het is goed het verdriet te delen, om elkaar te troosten. Geef kinderen de gelegenheid om voor u een troost te zijn. Het is van belang kinderen te betrekken in de eigen rouw: om herinneringen te delen, om te praten over de overledene, om samen foto's te bekijken of het graf te bezoeken.
Als kinderen niet het verdriet van hun ouders zien, dan kunnen ze zich afvragen of ze de enige zijn met verdriet of dat papa die overleden is misschien niet belangrijk genoeg was of niet gemist wordt. Kinderen hebben het nodig te merken dat de ouders rouwen. Het biedt erkenning aan het verlies en aan het eigen verdriet.
Ouders zitten met hun verdriet en hebben daarnaast de verantwoordelijkheid voor hun kinderen. Verdeling van de aandacht voor zichzelf en de kinderen is niet zo gemakkelijk. Van belang is dat ouders af en toe tijd nemen voor zichzelf. Zij kunnen hulp inschakelen van een familielid of een vertrouwenspersoon waarmee de zorg voor de kinderen en de verantwoordelijkheid voor de dagelijkse dingen gedeeld kan worden. Van belang is dat ouders zich niet schuldig voelen als zij even de tijd nemen voor zichzelf en voor hun eigen verdriet.
 
Accepteer dat kinderen niet lang met hevige gevoelens bezig zijn:
Kinderen hebben net als volwassenen verdriet en andere gevoelens om het verlies. Vooral jonge kinderen zijn echter niet in staat om lang met deze gevoelens bezig te zijn. Het is niet vreemd als kinderen na een verdrietig moment weer willen gaan spelen of bij een vriendje op bezoek willen gaan. Ondanks dat het heel normaal is, wordt dit door ouders niet altijd begrepen. Het lijkt dan alsof kinderen ongevoelig zijn voor het verlies, maar dat is niet het geval. Voor jonge kinderen zijn begrippen als verleden en toekomst onduidelijk. Ze richten zich vooral op wat er in het hier en nu gebeurt en hebben het nodig om door te gaan met het ontdekken van de wereld en om plezier te hebben.
Kinderen hebben bovendien een andere manier om verdriet te uiten. Ze uiten hun gevoelens in spel: het naspelen van de begrafenis of het ongeluk waarbij het broertje om het leven gekomen is. In het spel van kinderen komt tot uiting dat zij het verlies op een actieve manier verwerken. Het is een manier om gedachten en fantasieën omtrent het verlies tot uitdrukking te brengen. Maar het is ook een vorm van afleiding zoeken. Kinderen hebben vaak behoefte om even niet met het verlies bezig te zijn, om te midden van het verdriet even 'gewone dingen' te doen. Het is de behoefte aan veiligheid en zekerheid: de behoefte te ervaren dat niet alles door het verlies veranderd is. Jonge kinderen gaan om die reden spelen, oudere kinderen zoeken vrienden op of gaan uit.
 
Bied kinderen de ruimte om met ver­driet bezig te zijn:
Kinderen worden vaak geprezen als zij flink zijn of zich groot houden. Op school wordt het bijvoorbeeld zeer gewaardeerd als kinderen zich al snel weer op het schoolwerk kunnen richten. Ook te midden van vrienden en vriendinnen wordt stoer en flink zijn over het algemeen meer positief beoordeeld dan een verdrietige houding. Het is begrijpelijk dat kinderen zich op bepaalde momenten liever groot houden. Thuis moeten ze echter zichzelf kunnen zijn en de ruimte krijgen om met het verdriet bezig te zijn. Het is belangrijk dat kinderen niet het idee krijgen dat zij zich thuis ook groot en flink moeten houden. Niet het inhouden en beheersen van emoties, maar juist het uiten ervan dient door de ouders aangemoedigd te worden. Het tonen van het eigen verdriet als ouders is ook een signaal voor kinderen dat verdriet hebben mag.
 
Geef aandacht aan de gevoelens van kinderen:
Het is belangrijk om aandacht te schenken aan de gevoelens van kinderen. Neem de tijd om naar hen te luisteren en bied hun de gelegenheid om gevoelens uit te spreken en te delen.
Hiermee geven ouders aan dat de gevoelens belangrijk zijn en bieden zij erkenning aan de rouw van hun kinderen. Voor kinderen kunnen de eigen gevoelens onduidelijk of verwarrend zijn. Zij hebben bovendien soms niet de beschikking over de juiste woorden om hun gevoelens uit te spreken. Hierin kunnen ouders helpen: ze kunnen woorden geven aan de gevoelens die hun kinderen zelf moeilijk begrijpen. Ze kunnen uitleg geven over de reacties op het verlies, bijvoorbeeld dat verdriet normaal is en dat het geen vaste tijd duurt. Het is ook van belang dat men let op gevoelens die kinderen mogelijk niet durven uit te spreken, bijvoorbeeld omdat zij zich voor de gevoelens schamen of omdat zij denken dat de gevoelens niet normaal zijn. Voorbeelden zijn schuldgevoelens en boosheid. Jonge kinderen kunnen denken dat zij de dood veroorzaakt hebben, omdat zij stout zijn geweest vlak voordat vader overleed. Oudere kinderen kunnen zich schuldig voelen, bijvoorbeeld omdat zij zich in de periode voor het overlijden teruggetrokken hadden uit het gezin. Kinderen kunnen ook boosheid voelen en dit niet durven uiten. Als ouders het vermoeden hebben dat dergelijke gevoelens spelen, kunnen zij hiernaar vragen. Ze kunnen uitleggen dat schuldgevoelens en boosheid vaker voorkomen bij mensen in een rouwproces. Het is voor kinderen vaak een grote opluchting als zij horen dat anderen ook de gevoelens hebben die zij bij zichzelf hebben opgemerkt.
 
Behoud continuïteit in het gezin en in het leven van kinderen:
Evenals volwassenen merken kinderen onherroepelijk op dat er door het verlies een aantal dingen in hun leven veranderd zijn. Van belang is dat bepaalde dingen gewoon doorgaan en dat er regelmaat is te midden van alle veranderingen die met het verlies gepaard gaan. Zo is het belangrijk dat kinderen in hun vertrouwde omgeving blijven en dat ze bijvoorbeeld niet een paar dagen uit logeren worden gestuurd. Vaak hebben kinderen de behoefte om bij door hen vertrouwde mensen te zijn in hun eigen omgeving. Het is zoals gezegd bovendien goed om kinderen, hoe jong zij ook zijn, deelgenoot te maken van wat er gebeurt.
Het geeft hun het gevoel dat ze bij het gezin horen en dat het gezin bij elkaar zal blijven, ondanks dat er iemand weggevallen is. Van belang is dat kinderen niet te lang van school wegblijven, dat ze de sportclub blijven bezoeken waar zij lid van zijn en dat ze plannen die ze gemaakt hadden gewoon uitvoeren. Door dit alles wordt er als het ware een soort van routine behouden en wordt veiligheid en vastigheid gecreëerd in een wereld van onrust en veranderingen. Het kind merkt dat er veel veranderd is, maar dat andere dingen ondanks het verlies gewoon doorgaan.
 
Geef kinderen de ruimte om kind te zijn:
Te midden van de veranderingen die er in het gezin plaatsvinden door het verlies van één van de gezinsleden is het belangrijk dat kinderen de ruimte behouden om kind te zijn en te blijven. Van belang is dat kinderen niet te veel verantwoordelijkheden toebedeeld krijgen. Het is logisch dat zij huishoudelijke taken op zich (moeten) nemen als een van de ouders overlijdt en dat er iets kan veranderen in de taken die zij binnen het gezin hebben. Men mag echter niet verwachten dat kinderen de verantwoordelijkheid van de overledene op zich nemen, bijvoorbeeld dat het oudste kind van het gezin de verantwoordelijkheid krijgt voor de verzorging of opvoeding van de jongere kinderen.
Het verlies van een dierbare doorkruist de ontwikkeling van kinderen en de fase waarin zij zich bevinden. Het is van belang dat deze ontwikkeling zich op een zo normaal en natuurlijk mogelijke wijze voortzet. Kinderen dienen hun positie van kind te kunnen behouden en niet te veel belast te worden met de moeilijkheden van de ouders. Hierdoor kunnen zij met hun eigen ontwikkeling in de knoop komen en worden zij als het ware gedwongen om voortijdig volwassen te zijn. Uiteraard betekent dit niet dat men kinderen niet om raad kan vragen of dat men kinderen niet zou mogen vragen hulp te bieden bij bepaalde taken of klussen. Het is goed om de gevolgen van het verlies met elkaar, als gezin, te dragen.
Daarbij moeten zij echter kind kunnen blijven, wat betekent dat ze ook moeten kunnen spelen of uitgaan, dat ze soms stout of opstandig moeten kunnen zijn en dat ze door moeten kunnen blijven gaan met hun eigen ontwikkeling, het ontdekken van de wereld en het ontwikkelen van een eigen identiteit.
 
Erken de bijkomende verliezen die kinderen lijden:
Kinderen verliezen door het overlijden van één van de ouders, een broertje of zusje niet alleen de persoon zelf. Zij worden ook met allerlei bijkomende verliezen geconfronteerd. Een kind dat zijn vader verliest, verliest iemand die meeging naar het sporten, die hielp bij het huiswerk en die het fijn vond om zijn kinderen mee uit te nemen. Een meisje van wie de broer overlijdt aan een ziekte, verliest haar grote en sterke broer, degene met wie ze kon stoeien en degene die altijd leuke vrienden mee naar huis bracht. Het overlijden van moeder betekent soms het verlies van een vriendin waar zo fijn mee gekletst kon worden. Het overlijden van een gezinslid brengt voor een kind veel veranderingen met zich mee. De overblijvende ouder heeft verdriet om het verlies en zal zich mogelijk anders gedragen en anders op het kind reageren. De sfeer in huis verandert door het overlijden vaak. Van belang is dat men erkent dat kinderen met veel bijkomende verliezen geconfronteerd worden en het is belangrijk dat mensen in de omgeving hier oog voor hebben.
 
Moedig aan dat kinderen praten met leeftijdsgenoten:
Kinderen, vooral iets oudere kinderen, hebben vaak een vriend of vriendin met wie ze goed kunnen praten en veel kunnen delen. Soms bespreken ze hun gevoelens omtrent het verlies liever met hen dan met de eigen ouders of familieleden. Het is van belang dit te accepteren en te stimuleren. Kinderen vinden het fijn om te praten met iemand van dezelfde leeftijd en iemand die zelf minder door het verlies geraakt is. Soms betekent dit dat ze thuis maar weinig van hun gevoelens laten zien. Dat ze thuis niet of nauwelijks over het verlies praten, hoeft echter niet te betekenen dat ze er helemaal niet over praten.
 
Stimuleer de omgeving ook aandacht te geven aan kinderen:
Als er binnen een gezin iemand overlijdt, richt de omgeving zich vaak op de ouders: de vrouw die haar partner heeft verloren of de ouders die een kind hebben verloren. Vaak denkt men dat de ouders meer door het verlies aangegrepen zijn dan de kinderen, dat het voor volwassenen erger is om iemand te verliezen of denkt men zelfs dat kinderen niet in staat zouden zijn om te rouwen. Wat ook een rol kan spelen, is dat men niet goed weet hoe men kinderen moet benaderen die met een verlies geconfronteerd zijn. Ouders kunnen er zelf in bijdragen dat er vanuit de omgeving ook aandacht aan de kinderen besteed wordt en dat anderen erkenning bieden aan het verdriet van de kinderen. Ouders kunnen familieleden, buren en kennissen vragen om oog te hebben voor het feit dat ook hun kinderen een verlies geleden hebben en niet alleen zijzelf. De leraar of lerares op school kan een belangrijke rol spelen in de opvang van kinderen. In dit kader is het goed dat men de school op de hoogte stelt van de gebeurtenissen die er in het gezin hebben plaatsgevonden en dat men ook in de periode na het verlies contact onderhoudt met de leraar of lerares. De leraar of lerares kan het verlies in de klas van het kind aan de orde stellen zodat er een sfeer van openheid ontstaat en de klasgenoten begrijpen wat er met het kind aan de hand is.
 
Maak contact met kinderen:
Het belangrijkste is misschien wel om ervoor te zorgen dat men met kinderen contact maakt. Van belang is dat ouders hun kinderen extra liefde en aandacht geven, dat zij warmte bieden en nabij zijn. Contact hoeft niet altijd met woorden gepaard te gaan. Soms is het genoeg om gewoon naast het kind te gaan zitten, een arm over de schouder te leggen en niets te zeggen. Ook op andere manieren is het belangrijk dat ouders, maar ook mensen in de omgeving van kinderen, contact maken met kinderen. Erkenning bieden aan het verlies dat zij geleden hebben en het verdriet dat daar het gevolg van is, is hiervoor een voorwaarde. Uit zichzelf geven kinderen over het algemeen minder snel aan wat ze willen en waar ze behoefte aan hebben, dan volwassenen. Daarom is het belangrijk dat men hun dat durft te vragen. Kinderen zijn best in staat om aan te geven wat ze nodig hebben en wat hen helpt.
 
 
Dood
Je leven vloeide weg als het water
door een gaatje in het bad
langzaam naar het niets
werd gezogen.
 
Aan de randen kleefde overal
schuim waardoor het late zonlicht
in aquarel regenboogkleuren
bleef trillen
 
Saar Deroo 14 jaar
 
  

Rouw bij adolescenten: Wat is adolescentie?

 
Enige tijd geleden kreeg ik twee werken in de hand die handelen rond het thema adolescenten en rouw: 'Living with Grief: Children, Adolescents and Loss', (Doka, 2000) en 'Proefschrift: Verhalen van rouw', (Jaspers, M.J.M. 2003). Deze werken beschrijven de laatste nieuwe ontwikkelingen op dit gebied. Ik zal in het kort behandelen wat er in deze werken beschreven staat.
 
Wat is adolescentie
De term adolescentie wordt gebruikt als aanduiding voor de leeftijdscategorie tussen kindertijd en volwassenheid. Over welke jaren men het dan precies heeft, verschillen de meningen. Het tijdschrift 'Journal of Adolescent Research' aanvaardt de omschrijvingen die handelen over een leeftijdscategorie van 11 tot 22 jaar. In onze omgeving gaan we uit van de leeftijdscategorie waarin de jongeren het voortgezet onderwijs volgen, dus tussen 12 en 20 jaar. In de publicatie 'Psychologie van de adolescentie' worden drie rijpingsstadia onderscheiden zonder onderverdeling in leeftijd:
  • De vroege adolescentie: De lichamelijke rijping, de psychosexuele ontwikkeling en het proces van losmaking van de ouders komen op gang.
  • De midden adolescentie: Het experimenteren met diverse keuzemogelijkheden staat centraal.
  • De late adolescentie: De jongere gaat verplichtingen aan met betrekking tot zijn maatschappelijke positie en persoonlijke relaties.
Wat bedoelen we nu precies met adolescentie? De Wit et al. (1995) beschrijven het als de overgangsperiode tussen kinderjaren en volwassenheid. In deze periode doen zich op veel terreinen en in snel tempo ontwikkelingen voor met nieuwe uitdagingen en ontdekkingen. Er vindt een aantal lichamelijke veranderingen plaats zoals de groeispurt en het geslachtsrijp worden. In sociaal opzicht groeit de adolescent van een afhankelijke positie binnen het gezin naar een zelfstandige positie in de maatschappij. Daarnaast zijn er de psychische veranderingen en de ontwikkeling in het denken. De veranderingen moeten geïntegreerd worden in het beeld dat de jongere van zichzelf en van de anderen heeft.
In de adolescentie ontwikkelen denkprocessen zich verder. Deze ontwikkeling hangt samen met de overgang van het concrete denken van het kind naar het meer formele denken van de adolescent. Dit maakt dat jongeren bij het oplossen van problemen in staat zijn alternatieven te gebruiken. Ze kunnen abstracter denken en hebben het minder nodig om concreet materiaal voorhanden te hebben (Roeders, 1987). Ze kunnen afstand nemen van het denken in het hier en nu en kunnen met een groter tijdsperspectief werken. Bovendien kunnen ze nadenken over de eigen denkprocessen.
De volgende punten zijn typerend voor het denken van adolescenten in vergelijking met kinderen:
  • Ze hebben het vermogen om na te denken over mogelijkheden. Het denken is minder afhankelijk van concrete situaties of gebeurtenissen. Ze kunnen met hypothesen alternatieve oplossingen bedenken voor problemen.
  • Adolescenten kunnen in abstracte termen denken. Ze vormen zich ideeën en opvattingen over zaken als vriendschap, moraal enzovoort.
  • Ze zijn zich meer bewust van hun eigen manier van denken en probleemoplossen en van hun eigen emoties en het beeld dat ze van zichzelf hebben. Dit is een belangrijk element bij de ontwikkeling van het besef van identiteit.
  • Adolescenten beschikken over veel inhoudelijke kennis. Ze krijgen er oog voor dat de interpretatie van een situatie samenhangt met het standpunt dat iemand inneemt.
  • Adolescenten zijn door deze toegenomen denkvermogens, net als volwassenen, in staat om het begrip 'dood' in cognitieve zin te bevatten. Omdat ze in staat zijn abstract te denken, krijgen de adolescenten het vermogen hun eigen sterfelijkheid onder ogen te zien. Volgens Oltjenbruns (1996) is dit de reden waarom sommige jongeren overreageren bij het verlies van een leeftijdgenoot die ze amper kennen. Scholen zijn bij het overlijden van een leerling soms verbaasd over de reacties van leerlingen uit andere klassen. Ondanks het feit dat ze de overleden medeleerling amper kennen, vertonen ze intense rouwreacties omdat ze zichzelf vergelijken met de leeftijdgenoot.
In het eerste deel van de adolescentie staan de eigen opvattingen nog centraal. Dit egocentrisme in het denken uit zich onder meer in het verschijnsel van imaginair publiek. De jongere denkt in het middelpunt te staan van de aandacht van anderen. Dit beïnvloedt ook het omgaan met rouw omdat het kan leiden tot ontkenning van de rouw. In aanwezigheid van leeftijdgenoten zetten jongeren een masker op. Ze laten hun rouw niet zien omdat ze bang zijn voor veroordeling en uitstoting.
 
Ten gevolge van het cognitieve ontwikkelingsproces wordt het voor de adolescent mogelijk om kritisch te denken over het gedrag en de opvattingen van de ouders. Ze ontdekken dat de gezinsideologie - de onuitgesproken regels over intermenselijke relaties, waarden, voorkeuren en taboes in het gezin waardoor het gedrag van het kind geregeld beperkt wordt - niet de enige is. De jongere is in staat uit te gaan van andere vooronderstellingen dan die in het gezin leven en op basis van ervaringen buiten het gezin zichzelf vragen te stellen over de regels en opvattingen. Op deze manier komt het losmakingproces op gang, een normale ontwikkeling in de adolescentie. Gevoelens van ambivalentie, strijd en verwarring gaan hiermee gepaard. Met name de ambivalente gevoelens ten opzichte van de ouders spelen een rol, zeker wanneer het de dood van een ouder betreft. Door het sterven van een van de ouders kan het losmakingproces danig in de war geschopt worden.
 
Het verwerven van autonomie is niet alleen een thema voor de adolescent, het is een terugkerend thema in het leven. In de adolescentie gaat het om het verkrijgen van de innerlijke vrijheid om zelf keuzes te maken. Cognitieve, emotionele en morele aspecten komen daarbij aan bod. Polariteiten als zelfstandigheid tegenover afhankelijkheid, zelfontplooiing tegenover verbondenheid, eigen principes tegenover conformeren aan conventionele opvattingen vragen om een keuze. De adolescent oefent met deze toenemende autonomie in een veilige omgeving.
Het verwerven van autonomie kan als problematisch ervaren worden bij een overlijden in het gezin omdat de adolescent zich minder vrij voelt om te experimenteren. Hij of zij wil de ouder(s) geen extra moeilijkheden bezorgen, niet meer verdriet veroorzaken. Soms zijn ze geneigd verantwoordelijkheden in het gezin op zich te nemen die niet bij hun leeftijd horen = parentificatie.
 
Adolescentie: crisis of overgangsperiode?
De hier reeds beschreven cognitieve processen, de verwerving van autonomie en het losmakingproces zijn slechts enkele van de uitdagingen waarvoor de adolescent zich gesteld ziet. Het is wellicht ook niet vreemd dat Erikson de adolescentie ziet als een crisisperiode met grote uitdagingen. In deze periode volgen de cognitieve, psychische, sociale en fysieke veranderingen elkaar in snel tempo op. Dit levert een verhoogde kwetsbaarheid en spanningen op. De ene adolescent beleeft het als een prettige tijd, anderen hebben er moeite mee.
 
De theoretische strijd over de adolescentie als crisisperiode of redelijk rustige overgangsperiode dateert al uit het begin van de vorige eeuw. Anna Freud schreef in 1958 dat normaal zijn tijdens de adolescentieperiode op zichzelf niet normaal is. In de eerste helft van de twintigste eeuw werd de adolescentie beschreven als een crisisachtige en turbulente levensfase. De adolescentie lijkt een draaikolk van veranderingen inclusief groeispurten, de verschijning van secundaire seksuele karakteristieken, de eerste menstruatie, hormonale veranderingen, zelfbewustheid, roken, gebruik van alcohol en experimenten met drugs. Deze veranderingen zijn niet alleen uiteenlopend, maar ook plotseling. Plotselinge stemmingswisselingen zijn typisch voor deze periode.(Herman, Herman-Jansen, 1995). Beide auteurs stellen ook dat er weinig bewijs is dat het tegelijkertijd voorkomen van deze veranderingen, stemmingswisselingen en verwarrende posities tot een crisis kunnen leiden. Volgens hen hebben zelfs grote veranderingen niet al te veel invloed op de identiteit van de adolescent.
 
Pas in de tweede helft van de vorige eeuw verschijnen de eerste grootschalige onderzoeken onder de jeugd, Douvan en Adelson (1966), Offer en Offer (1975). Ze laten zien dat het crisisachtige beeld van de adolescentie niet klopt. Het overgrote deel van de jeugd ontwikkelt zich zonder al te veel commotie tot volwassene. Zo zijn er meer en meer auteurs die van mening zijn dat de adolescentie redelijk kalm en stabiel is ondanks alle veranderingen en uitdagingen. Dit wil echter niet zeggen dat er geen onenigheden voorkomen tussen ouders en kinderen over allerlei kwesties, maar eigenlijk is dit een normaal proces bij het opgroeien. Rutter (1980) stelt dat alle veranderingen en moeilijkheden die een jongere tegenkomt ook een uitdaging vormen om nieuwe vaardigheden te leren en de eigen capaciteiten te ontdekken. Bovendien vinden niet alle veranderingen tegelijkertijd plaats. Daarom krijgen jongeren de kans om te leren en zijn ze in toenemende mate in staat om problemen op te lossen en met complexe situaties om te gaan.
Veranderingen kunnen ook aanleiding geven tot onzekerheid en stress. De verklaring waarom het bij de een wel en bij de ander niet tot stress leidt, zoekt Verhofstadt-Denève (1999) bij het begrip veerkracht. Het is het individuele vermogen zich succesvol aan te passen ondanks risico's en tegenslag. Veerkracht hangt samen met (externe) situationele factoren (ernstige tegenslagen of protectieve omstandigheden) en (interne) persoonlijke verschillen (positieve zelfevaluatie, een probleemoplossende attitude, een gestructureerde houding, een kritische attitude). Ondanks een ernstige tegenslag, zoals het overlijden van een dierbare, kunnen veel jongeren door interne en bepaalde protectieve factoren, zoals een 'mentorachtige' volwassene, het leven weer goed oppakken.
 
Hoe jongeren om kunnen gaan met de hoeveelheid stressoren die ze op hun pad tegenkomen beschrijft Coleman (1978). Hun strategie is de crisissen één voor één aan te pakken. Problemen ontstaan pas als de stressoren zich opstapelen en de jongeren zich niet meer kunnen richten op één ding tegelijk, maar allerlei dingen ineens moeten oplossen, zoals vroege rijping, scheiding van de ouders, het verlies van een belangrijke persoon, verhuizing en verandering van school.
Hermans en Hermans-Jansen zien een crisis in de desorganisatie van het waarderingssysteem van de persoon. Dit is volgens hun echter niet inherent voor de adolescentie. Deze periode zien ze meer als een overgang, een brug tussen kindertijd en volwassenheid, dan als een crisis. Deze verandering vraagt om reorganisatie en hoeft geen desorganisatie te betekenen. Adolescenten staan voor de taak om een toereikend en stabiel waarderingssysteem op te bouwen. Er moeten vele nieuwe elementen toegevoegd worden en daarbij vindt reorganisatie van het waarderingssysteem plaats. Dat is wel een lastige opgave omdat de jongeren nog niet weten wat belangrijk is of wat het op lange termijn betekent.
 
Sommige auteurs zien de adolescentie zelfs als de meest gewenste leeftijdsperiode. De laatste jaren wordt het onderzoek naar adolescenten steeds meer gericht op de studie van jongeren in hun context. De complexiteit van de adolescente ontwikkeling vraagt een multidisciplinaire aanpak waarbij biologische, psychologische, sociale, maatschappelijke en culturele factoren in hun wisselwerking bestudeerd worden. Maar deze nieuwe wetenschappelijke kijk heeft het beeld dat men in het algemeen heeft van de adolescentie als crisisperiode nog niet verdrongen.

"Vermoedelijk zal dit thema nooit volledig opgelost worden en van de crisispool naar de evenwichtspool blijven slingeren, zoals de adolescent zelf deze boeiende periode frequent beleefd." (Verfodstadt-Denève, 1999).

Zelforganisatie.
In de adolescentieperiode wordt de jongere geconfronteerd met vele nieuwe ervaringen op allerlei terreinen. Volgens Hermans en Hermans-Jansen (1995) is de belangrijkste taak van de adolescent de zelforganisatie. Daarbij zijn drie ontwikkelingen belangrijk voor het ontwikkelingsproces:
  • De veranderingen van externe naar interne locus van zelfkennis. De mening van kinderen over zichzelf noemen we de interne locus. De opinie van belangrijke anderen noemen we de externe locus. Adolescenten hebben de mogelijkheid gekregen tot introspectie. Daarvoor moeten ze zich bewust zijn van hun eigen denkprocessen. Adolescenten kunnen, veel meer dan jongere kinderen, naar zichzelf kijken, niet alleen vanuit de ander maar ook vanuit hun eigen standpunt. Ze kunnen de kennis over zichzelf verdiepen in interactie met de ander.
  • Het opbloeien van de fantasie. Romantische liefde en heldendom reflecteren de intense betrokkenheid van de adolescent met innerlijke motieven rondom eenheid en verscheidenheid. Dit openbaart zich vooral in de fantasie. Verliefd worden desorganiseert het waardensysteem min of meer voor een tijdje. Verliefd worden of verliefd zijn op de liefde representeert de eenheid of de verbondenheid. De fantasieën over wat je zou kunnen worden, beroemd, een held, representeren de verscheidenheid. 
  • Het belang van moraliteit. Adolescentie is een fase in het leven waarin afhankelijkheid en onafhankelijkheid naast elkaar bestaan vanwege de ontwikkeling van 'het zelf’. Morele ontwikkeling is het resultaat van sociaal-affectieve ontwikkeling in het algemeen en de ontwikkeling van vriendschapsrelaties in het bijzonder. In toenemende mate kunnen jongeren vriendschap ervaren als een combinatie van afhankelijkheid en onafhankelijkheid waarin beiden ruimte nodig hebben. Ze merken dat de ander steun kan geven, maar soms ook steun nodig heeft. De balans hiertussen is nog niet volledig bereikt. Het vereist een differentiatie tussen 'mijn leven' en 'jouw leven'.
Zelforganisatie is een centraal begrip in de adolescentie en zelfs de belangrijkste taak. Verlies heeft een belangrijke invloed op de zelforganisatie.
 
 
Ik kijk naar je foto
naar een man die ik niet meer ken
Na acht lange jaren voel ik
daar ik er nog niet aan gewend ben. Soms sluit ik me op,
alleen met mijn verdriet
Ik probeer me iets van hem
te herinneren maar het lukt maar niet Ik wil geen medelijden
dat maakt het erger dan het al is
Niemand begrijpt echt
hoeveel ik papa mis.

Leen Gravendonck, 13 jaar


De rouwende adolescent

 
Inleiding
Typisch adolescentengedrag verhindert het zicht op rouw. Adolescenten zijn zelfstandigheid aan het verwerven, stellen zich autonomer op, richten zich meer op leeftijdgenoten en willen daarbij niet 'afwijken'. De rouwende adolescent is zich onmiddellijk bewust dat hij bekeken en anders behandeld wordt en dat hij in enkele opzichten zelfs anders is dan zijn leeftijdgenoten. Daardoor voelt hij zich in verlegenheid gebracht als zijn verlies en de gevolgen daarvan ter sprake komen. Hij zal alle moeite doen om dit te voorkomen en zal het belang en de betekenis van het verlies kleiner maken dan het in werkelijkheid is. De behoefte aan conformiteit, stabiliteit en voorspelbaarheid leidt ertoe dat de jongere veel energie steekt in het normaal doen en een doorsnee tiener lijken. Deze defensiemechanismen mogen een balans in het hier en nu geven, over de gevolgen op lange termijn is nog weinig bekend.

Rouw bestaat bij adolescenten, net als bij volwassenen, niet uit een afgeronde opeenvolging van fasen met een eindpunt; rouw is niet tijdgebonden. Het is voor jongeren een levenslang, zich ontwikkelend onderzoek naar de dood en zijn betekenis. Met het toenemen van het cognitieve vermogen kan de jongere de interne representatie van de overleden ouder voortdurend herzien en bijstellen. De betekenisgeving als reactie op het verlies is de kern van het rouwen. Een groot deel van de betekenisgeving vindt plaats in het gezin.

Relatie met de overledene
(Child Bereavement Study, Normand, Silverman, Nickman, 1996)
  • Verlies van een ouder: Het verlies van een ouder in de adolescentenperiode heeft grote invloed. Deze wordt vaak toegeschreven aan de verstoring van de identiteitsvorming. Het wordt aanzien als het belangrijkste verlies dat een adolescent kan meemaken. Het blijft invloed hebben gedurende de ontwikkelingsfasen en eigenlijk tijdens het hele leven op momenten dat bepaalde gebeurtenissen of speciale dagen weer herinneringen oproepen. In het algemeen heeft het verlies van een moeder meer gevolgen dan het verlies van een vader. Vooral in het tweede jaar na het verlies is dit merkbaar. Het leidt tot meer veranderingen in het dagelijkse leven en het betekent het verlies van de zorgdrager voor emoties in het gezin. Het verlies van moeder hangt sterk samen met emotionele problemen, gedragsproblemen, de mate van angst, acting-out gedrag, minder zelfvertrouwen en minder geloof in eigen mogelijkheden (Worden, 1996)
  • Verlies van een broer of zus: Het verlies van een broer of zus heeft een niet te verwaarlozen invloed op het leven van de adolescent, maar slechts in een paar gevallen is er sprake van een nadelige invloed op de psychologische ontwikkeling. De jongeren zijn wel in staat de problemen die ontstaan door de dood van hun broer of zus te overwinnen. Davies (1990) ontdekte zowel positieve als negatieve gevolgen van het verlies van broer of zus op lange termijn.
    • De positieve aspecten zijn:
      • het vermogen om de dood onder ogen te zien;
      • in staat zijn anderen te helpen in hun ervaringen met de dood;
      • de zin van het leven begrijpen;
      • een goed gevoel over zichzelf hebben.
    • De negatieve gevolgen zijn:
      • ze staan serieuzer in het leven dan leeftijdgenoten en dat creëert afstand;
      • blijvende eenzaamheid en graag alleen zijn;
      • het gevoel sociaal minder competent te zijn.
Het verlies van een broer of zus confronteert jongeren met hun eigen sterfelijkheid, omdat het leeftijdsverschil tussen hen meestal niet zo groot is. Broers en zussen zijn een soort levenslange partners waarmee ze hun ouders, huis en jeugd delen. Deze relatie wordt vaak gekenmerkt door ambivalentie vanwege afgunst en wrok. Wanneer de jongere na de dood achterblijft, moet hij dit conflict in zijn eentje oplossen.
De relatie die er voor de dood was, is van belang voor het rouwproces. Zo kunnen we verschillende patronen onderscheiden. Bij de gezonde vormen gaat een separaat zelfgevoel samen met een gevoel hetzelfde te zijn. Als broer of zus dan overlijdt, is normale rouw mogelijk. Er worden twee identificatiepatronen beschreven die leiden tot gecompliceerde rouw. Het eerste is een fusierelatie waarin sprake is van vroege hechting aan elkaar en weinig onderlinge differentiatie. De dood voelt voor de overlevende alsof er een amputatie heeft plaatsgevonden. Bij het tweede patroon wordt de relatie gekenmerkt door afgunst en rivaliteit en kan de rouw gekenmerkt worden door schuld.
  • Verlies van een leeftijdgenoot: Rouwen om de dood van een vriend of klasgenoot is nog vrijwel onontgonnen terrein in rouwonderzoek. Dit is vreemd gezien het feit dat leeftijdgenoten in de adolescentie een steeds belangrijker rol innemen voor de jongere. Het is overduidelijk dat de dood van een leeftijdgenoot eveneens de identiteitsvorming kan verstoren, daar jongeren zich definiëren door hun relaties met leeftijdgenoten.
Gevolgen van rouw
Een verlies door de dood van iemand die zeer nabij is, heeft gevolgen voor de jongere. Vele reacties worden gezien als uitingen van normale rouw.
  • Emotionele uitingen: angst, verwarring, schuldgevoelens, spijt, opluchting, boosheid, verdriet, verlies van vertrouwen, gevoelens van eenzaamheid, leegte, de controle kwijt zijn, machteloosheid, zich identificeren met de overledene.
  • Gedragsmatige reacties: slaap- en eetstoornissen, schrikreacties, zich terugtrekken, risicovol gedrag, agressief gedrag en oncontroleerbare huilbuien.
  • Cognitieve reacties: concentratieproble­men, bezig zijn met herinneringen, ver­geetachtigheid, verwarring, gebrek aan helderheid en samenhang, zich opdrin­gende gedachten en beelden en akelige dromen.
  • Fysieke reacties: rillingen, diarree en vermoeidheid.
  • Spirituele reacties: geloofscrisis, zoeken naar de betekenis en zingeving en gaan twijfelen aan het belang van alles.

Adolescenten onderdrukken hun rouw omdat ze bang zijn de controle te verliezen en omdat ze zich afvragen wat anderen van hen zullen denken. Soms is er sprake van korte, maar hevige uitbarstingen. Er is een soort paradoxale pendelbeweging in het uiten van hun verdriet waardoor het lastig is te weten wanneer en op welke manier de rouwende jongere het beste te helpen is. In de 'Child Bereavement Study' is duidelijk geworden dat veel zogenaamd gestoord gedrag een kort leven heeft en vanzelf overgaat zonder speciale inmenging. De aandacht moet minder gericht zijn op de aanwezigheid van alarmerende symptomen of gedragingen, maar meer op de intensiteit en de duur ervan. Pas wanneer symptomen en gedragingen maandenlang aanhouden en intensief zijn, is professionele hulp noodzakelijk (Worden, 1996).

Invloeden van rouw 
  • Invloed van rouw op de identiteit: Identiteitsontwikkeling betekent dat de adolescent gaat onderzoeken wie hij is in de context van zijn persoonlijke verleden, heden en de geanticipeerde toekomst. Wanneer de jongere geconfronteerd wordt met een verlies komen de vragen: 'Wie ben ik?', 'Waar kom ik vandaan?' en 'Waar ga ik naartoe?' opnieuw aan de orde. Wat zeker leek, is weer onzeker: niets blijkt voorspelbaar te zijn.
  • Invloed van rouw op de zelfwaardering: De rouwende jongere heeft het idee dat hij geen enkele controle meer heeft over de dingen die in zijn leven gebeuren en dat heeft een ontwrichtend effect op het Zelf. Het gevoel van geen controle meer te hebben, blijkt samen te hangen met angst. Rouwende jongeren blijken minder het gevoel te hebben dat ze de dingen kunnen beïnvloeden. Hun 'locus of control' vermindert (Worden, 1996). Een rouwende jongere kan zichzelf ook als vijandig en destructief zien vanwege zijn gedachten en daden die mogelijk de dood van de ouder, broer of zus beïnvloed hebben. Vooral wanneer er sprake was van veel competitie en vijandigheid, zoals wel voorkomt tussen broers en zussen, kan dit leiden tot een vijandig beeld van het Zelf.
  • Invloed op schoolprestaties: In de 'Child Bereavement Study' werd onderzoek gedaan naar prestaties op school na een verlies. In de eerste maanden toonden veel kinderen enige vorm van leermoeilijkheden en concentratiestoornissen, 37% heeft enige concentratieproblemen en 20% heeft regelmatig of vrijwel altijd concentratiestoornissen. Leerproblemen correleren sterk met angst na een jaar, samen met zich ongemakkelijk voelen aan de eettafel, hoofdpijn en slaapproblemen. Kinderen die het slecht deden op school hadden minder zelfvertrouwen, minder het gevoel van kracht, vertoonden meer agressief gedrag en hadden meer ervaring met veranderingen in hun dagelijks leven. Na één jaar had nog 16% last van concentratieproblemen in vergelijking met 6% bij niet-rouwende kinderen (Silverman, Worden; 1993).
Houding en gevoelens 
  • Identificatie en zich verantwoordelijk voelen: Identificatie met de overleden persoon is zowel een onbewust defensiemechanisme als een bewuste poging om de goede eigenschappen van de overledene te evenaren. Wanneer dit gematigd gebeurt, kan het verrijkend zijn voor de jongere. Maar wanneer het extreme vormen gaat aannemen, wordt het een beangstigende ervaring, bijvoorbeeld omdat de jongere de symptomen van de ziekte kan gaan overnemen. Volwassenen kunnen een te zware taak op de schouders leggen van de adolescent: 'Nu ben jij de man in huis' of 'Jij gaat nu voor papa zorgen'. Dit leidt tot een te grote verantwoordelijkheid en tot angst of al die rollen wel vervuld kunnen worden. Adolescenten zijn bezorgd over hoe het gezin het allemaal gaat rooien na het verlies en ze maken zich zorgen over de overblijvende ouder. Twee jaar na het overlijden blijkt 59% van de kinderen nog bezorgd over de overlevende ouder (Worden, 1996).
    Rouwende jongeren stellen zich als eerste prioriteit het bijdragen aan de emotionele stabiliteit van hun door emoties overmande ouders. Ze nemen huishoudelijke taken over en proberen te helpen door hun eigen emotionele uitingen te beperken (Silverman, 1992). Waar de jongere door het verlies mogelijk een neiging tot regressie heeft, gebeurt in feite het omgekeerde; de jongere wordt aangemoedigd om zich meer volwassen te gedragen. Soms leidt dit tot rolwisseling en parentificatie. Hoewel adolescenten begrip kunnen en moeten hebben voor hun rouwende ouder(s), mag een volwassene nooit verwachten dat een jongere zijn of haar primaire bron van steun en troost wordt. De verantwoordelijkheid wordt extra gestimuleerd door de trots van de ouder over de volwassen houding van het kind en de indruk die dit gedrag maakt op anderen. Het leidt echter tot onbalans. De jongeren kunnen zich onder stress zeer volwassen gedragen, maar deze houding verdwijnt volledig in perioden van eenzaamheid. Dit alles draagt bij aan het gevoel van de jongere dat hij of zij anders is dan andere jongeren. Ook het uiten van negatieve emoties kan moeilijk worden. Bij het overlijden van een broer of zus kunnen de overlevende kinderen boos zijn op degene die dood is gegaan of op de ouders die dit niet hebben kunnen voorkomen en/of bij wie ze het gevoel hebben dat ze alleen nog maar om het overleden kind geven. Maar het ligt moeilijk om deze gevoelens te uiten.
  • Zich zorgen maken en onveiligheid: De eerder genoemde schokkende ervaring dat ouders en andere volwassenen niet in staat zijn de dood te voorkomen en het eigen gevoel van hulpeloosheid, machteloosheid en gebrek aan controle leiden tot een gevoel van onveiligheid. De vertrouwde, voorspelbare wereld is in één klap verdwenen. Hun 'persoonlijke fabel' is in twijfel getrokken, de wereld heeft hen in de steek gelaten. Dit kan een zeer negatief effect op het basisvertrouwen hebben. Wat een ander kan overkomen, kan ook de adolescent zelf overkomen en anderen om hem of haar heen. De adolescent vraagt zich af wie de volgende zal zijn.

 


Ondersteuning van de rouwende adolescent

 
Volwassenen kunnen jonge mensen niet beschermen tegen de realiteit van de dood en de gevolgen daarvan voor hun leven. Wat volwassenen wel kunnen, is jongeren voorbereiden op het omgaan met verlies. De beste omgeving hiervoor is ongetwijfeld thuis, in de vertrouwde omgeving, maar in de praktijk vindt deze voorbereiding vaak niet plaats. Ouders willen hun kinderen beschermen tegen de onplezierige werkelijkheid. Ze zijn bang de verkeerde dingen te zeggen en ze voelen zich niet vertrouwd genoeg met het thema om het ter sprake te brengen. Zodoende heeft de school hierin ook een belangrijke rol te vervullen.
 
Preventieve sensibilisering:
In Vlaanderen zijn amper speciale schoolprogramma's om leerlingen voor te bereiden op een verlies dat ze in hun leven tegenkomen of al tegengekomen zijn. Het blijft beperkt tot een hoofdstuk of project bij levensbeschouwing. Soms is het thema ingebouwd in de godsdienstlessen of lessen zedenleer. Zowel de lesstof als persoonlijke ervaringen kunnen aanleiding zijn om het thema aan de orde te stellen. In de Verenigde Staten zijn vele programma's ontwikkeld voor 'death education'. Het is een officieel curriculum met als inhoud: sterven, dood, rouw en verlies en de invloed ervan op individuele personen en op heel de mensheid, en dit vanaf de lagere school tot in de universiteit. De drie belangrijkste doelen zijn het bieden van informatie, jongeren meer zelfbewust maken en het leren van ondersteuningsvaardigheden. Death education is niet alleen van belang voor de leerlingen, maar ook voor de leraren. Veel leraren hebben geen idee wat rouw bij jongeren inhoudt.
 
Sociale steun
Het verlies van een betekenisvolle ander kan gezien worden als een sociale netwerkcrisis. Sociale steun is elke interactie of transactie met een persoon uit het sociale netwerk. Het sociaal netwerk bestaat doorgaans uit familieleden, vrienden, kennissen, collega's en buren. Bij jongeren hoort daar ook de school bij. Het gaat bij sociale steun dus meer om het ontvangen dan om de intentie van het geven. Sociale steun is een indicatie voor de rouwende dat hij deel uitmaakt van een grotere gemeenschap die er is als het nodig is. Maar het betekent wel dat de jongere daar gebruik van moet willen maken. Om zich te kunnen laten steunen, moet de wereld toen de rouwende nog een kind was, ooit een troostend gezicht hebben gehad. Wanneer een klein kind niet of slecht getroost is, leidt dit tot levenslange vermijdingsreacties en weigeren deze kinderen om als jongere afhankelijk te worden van anderen wanneer ze in nood zitten. Ze knappen het zelf wel op en worden boos in plaats van verdrietig.
De rol van anderen in het rouwproces is samen te vatten in de drie volgende sleutelfuncties:
  • Zorgdragen voor de primaire levensbehoeften,
  • zorgen voor liefde, invoelingsvermogen en begrip,
  • en tot slot het accepteren en/of delen van gevoelens.
De Keijser (1997) onderscheidt vier soorten sociale steun die ook van toepassing zijn op de rouwende adolescent:
  1. Emotionele betrokkenheid, zoals empathie en zorg. Dit is bijvoorbeeld de vriendengroep die aandacht aan de rouwende jongere besteedt, die luistert als dat nodig is, die hem of haar thuis ophaalt om uit te gaan; de chatbox waar rouwende jongeren elkaar digitaal ontmoeten.
  2. Instrumentele hulp, zoals het verlenen van goederen en diensten. Een tante kan deze hulp bieden door mee te gaan om kleren te kopen nu moeder er niet meer is. Een klasgenoot kan helpen bij het maken van huiswerk.
  3. Verstrekken van informatie, zoals adviezen, suggesties, achtergrondinformatie.
  4. Waarderingssteun, zoals feedback voor zelfevaluatie en sociale vergelijking. Hierbij hoort het ervoor zorgen dat iemand erbij blijft horen en niet buiten de boot valt in de klas of vriendengroep.
Moeilijkheidsgraad van sociale steun
Het steunen van iemand die rouwt, wordt door veel mensen als moeilijk ervaren. Zelfs als ze willen steunen en troosten, kunnen mensen dingen zeggen of doen die meer pijn dan goed doen. Ze staan met de mond vol tanden of zijn bang het verkeerde te zeggen. Als gevolg daarvan zeggen ze liever niks of komen met clichés: 'Gelukkig heeft je vader nu geen pijn meer1,' Voor je ouders is het het ergste'. De steu n die mensen als weinig of niet helpend ervaren is: advies geven, doen alsof het verlies wel meevalt, aanmoedigen tot herstel, geforceerde vrolijkheid en zeggen dat ze begrijpen hoe je je voelt.
Rouwenden klagen er soms over dat ze in de steek gelaten worden, zelfs door hun beste vrienden. Dit komt omdat het moeilijk is om met het verdriet van een ander om te gaan, vooral als men denkt iets aan het verdriet te moeten veranderen. Het is een wankel evenwicht tussen het aanvaarden van andermans verdriet en de neiging aanwezig te zijn enerzijds en anderzijds de neiging om zich van de rouwende af te wenden. Troost helpt niet tegen verlies, maar helpt wel tegen eenzaamheid en ontheemding. Een troostende is net zo machteloos als de rouwende om het verlies ongedaan te maken. Maar hij kan aanwezig zijn en daardoor een vast, betrouwbaar element in de beschadigde wereld aanbrengen. Verdriet is een signaal, het is roepen om aanwezigheid; zelfs als de rouwende de aanwezige wegduwt: 7aaf me maar alleen'. Dat laatste is wat jongeren vaak letterlijk en figuurlijk doen.
 
Steun van ouders
Uit onderzoeken blijkt dat ruim een kwart van de jongeren van mening is dat ze van hun overlevende ouder juist de meeste steun ervoeren. De helft van de rouwende jongeren kwalificeert de steun van de overlevende ouder als redelijk tot veel (Gray, 1989). Meisjes zijn, meer dan jongens, geneigd hun gevoelens te delen in het gezin. Vooral jongens hebben moeite met zich te uiten en geven ook aan dat ze nauwelijks huilen (Worden, 1996).
 
Steun van leraren
Leraren zijn belangrijk voor adolescenten. Wanneer leraren er niet in slagen het verlies te erkennen, is de rouwende leerling teleurgesteld en beschouwt hij zijn leraren als onverschillig en weinig om hem gevend. Wanneer leraren en andere medewerkers van school iets van zich lieten horen, bijvoorbeeld door een kaart te sturen, bij de begrafenis te zijn of door er iets over te zeggen, werd dit erg op prijs gesteld. Begeleiders op school moeten er voor zorgen dat jongeren in crisis zich op hun gemak voelen zodat deze bij hen steun kunnen zoeken. Leraren kunnen zich niet afzijdig houden omdat ze zoveel in contact komen met de leerlingen. Het is wel nodig de leraren te ondersteunen zodat ze vertrouwen krijgen in hun vermogen om rouwende leerlingen te helpen.
 
Leraren ondersteunen: Een thema dat nauwelijks besproken wordt in de literatuur is de ondersteuning van de leraren zelf wanneer ze rouwende leerlingen helpen. Het emotionele proces van de leraar wordt dikwijls zelfs niet gezien en daardoor komen zijn welbevinden en functioneren als docent onder druk. Leraren worden vaak gezien als mensen die ondersteunend kunnen zijn, ook omdat ze emotioneel iets meer afstand hebben dan gezinsleden. Maar dit staat wel op gespannen voet met hoe ze zichzelf zien. De meeste vakdocenten zijn niet opgeleid voor een begeleidende rol en vanuit hun docerende rol vinden ze het vaak moeilijk om steun te geven.
Volgens Worden (1992) raakt een verlieservaring van een leerling de leraar op minstens drie manieren. Ten eerste herinnert het werken met mensen die een verlies geleden hebben hem aan eigen verliezen. Ten tweede komen zijn mogelijke toekomstige verliezen in beeld, zoals het verlies van partner of kind. Dit kan angstgevoelens oproepen. Ten derde raakt het verlies van de ander ook de eigen existentiële angst en het besef van de eigen sterfelijkheid. Dit brengt het emotionele evenwicht van degene die steun biedt aan het schommelen.
Wanneer iemand met rouw van een ander te maken krijgt, neigt hij er volgens Furman toe om uit twee extreme reacties te kiezen. Hij neemt emotioneel afstand: 'dit gaat me niet aan', waarmee zijn geestelijk evenwicht beschermd wordt, maar de essentiële empathie wordt uitgesloten. De tweede reactie is om in de huid van de ander te kruipen en de tragedie als iets van zichzelf te ervaren. Daardoor kan hij meevoelen, maar niet meehelpen. Professionals moeten de gulden middenweg vinden tussen nabij genoeg zijn met de nodige empathie en voldoende afstand hebben om effectief te kunnen helpen.
Training om een ondersteunende rol te vervullen en met je innerlijke proces om te gaan is noodzakelijk. Naast het oefenen van ondersteuningsvaardigheden is het ook belangrijk de volgende vragen te onderzoeken: 
  • waar vind ik emotionele steun?
  • wat zijn mijn beperkingen?
  • hoe en waar vraag ik hulp als dat nodig is?
Steun van leeftijdgenoten
In de adolescentie gaan jongeren voor hun emotionele ondersteuning steeds meer rekenen op hun vrienden. Maar de groep staat niet altijd toe dat de rouwende jongere zijn persoonlijke en onaangename rouwgedrag uit. Ook de adolescent zelf kan zo gevoelig zijn voor de verwachtingen van de vriendengroep dat zijn angst om als anders gezien te worden - en op die manier buitengesloten te worden - zijn behoefte aan steun overschaduwt.
Om bovenstaande redenen kan het terugkeren naar school na het verlies moeilijk zijn voor rouwende leerlingen. Soms vinden ze het fijn om medeleven van de leraren en klasgenoten te krijgen, maar ze kunnen er ook tegenop zien. De onwennigheid van de anderen en niet-helpende, soms zelfs pijnlijke opmerkingen kunnen een bron van extra verdriet en pijn zijn. Volgens Balk (2000) krijgen jongeren van hun leeftijdgenoten vaak de 'je zou er nu toch overheen moeten zijn' boodschap. Bij ontmoetingen nemen ze soms letterlijk of figuurlijk afstand (de rug toedraaien, geen oogcontact). Zich ongemakkelijk voelen bij een rouwende jongere komt meer voor dan openheid en medeleven. Rouwende jongeren zelf zijn ook verbaasd over hoe verdrietig ze zich voelen, over hoe lang deze gevoelens aanhouden en hoe weinig hun leeftijdgenoten de gevolgen van rouw waarderen. Rouw kan zelfs leiden tot verlies van vrienden die niet rouwen, die de rouw van de ander maar onrustig en vermoeiend vinden en zich om die reden terugtrekken uit de relatie. Men noemt dit secundair verlies en toenemende rouw. Een secundair verlies kan men definiëren als een stress opleverende verandering in een bestaande relatie als gevolg van een verlieservaring. Toenemende rouw is een bijzondere factor bij rouw, zoals verlies van eerdere intimiteit, troost en steun en wellicht de vriendschap zelf. Deze ervaringen verhogen de pijn van het primaire verlies.

Onderzoek naar informele sociale steun met behulp van moderne media ontbreekt nog. Dit is bij uitstek een manier waarop jongeren elkaar kunnen helpen. SMS'en, MSN'en, chatten, digitale fora en e-mail zijn nieuwe ondersteuningsmogelijkheden met een lage drempel voor jongeren.

Professionele interventies
Men kan drie professionele interventies onderscheiden in de begeleiding van rouw:
  • Professioneel begeleid lotgenotencontact: Lotgenotencontact is georganiseerde sociale steun waarbij een grote mate van wederkerigheid bestaat. Het doel is elkaar steun en troost te bieden.
  • Rouwbegeleiding: Bij rouwbegeleiding wordt vanuit een professionele standaard gewerkt aan de taken van het rouwproces. Dit kan zowel onder leiding van vrijwilligers als van professionals. Bij de groepsleden is geen sprake van pathologische rouw. Het aanleren van vaardigheden en het bespreken van emotionele problemen en ervaringen staan centraal.
  • Rouwtherapie: Heeft als doel emotionele, cognitieve en gedragsmatige blokkades op te lossen die het rouwproces stagneren met de hulp van een psychotherapeut. Er kan sprake zijn van gecompliceerde rouw.
Een supportgroep voor jongeren
Worden (1996) adviseert een rouwgroep of supportgroep als een van de interventiemodellen voor rouwende kinderen en jongeren. Voor adolescenten kan zo'n groep bijzonder steunend zijn omdat hun rouw extra gecompliceerd is door worstelingen met afhankelijkheid, autonomie en het loskomen van de ouders. Adolescenten vinden het moeilijk om over hun gevoelens te praten en rapporteren dat ze zich vreemd en in verlegenheid gebracht voelen in gezelschap van leeftijdgenoten die niet dezelfde ervaringen hebben. Ze willen hun tranen niet laten zien. Omdat ze zich na het verlies vaak anders voelen dan hun leeftijdgenoten kan een supportgroep een plek zijn om samen te komen met anderen die dezelfde ervaring hebben. Hier kunnen gedachten en ervaringen gedeeld worden en kunnen ze ondervinden dat wat ze denken en voelen niet afwijkt van de andere jongeren. Door samen te komen worden de gevoelens van vervreemding en isolatie minder. Ze krijgen steun van leeftijdgenoten die hetzelfde meegemaakt hebben. Ze merken dat ze niet alleen staan met hun verlies. Ze leren over de dood en worden geconfronteerd met onjuiste denkbeelden.

Er is sinds kort veel discussie over de doeltreffendheid van rouwbegeleiding. Uit sommige onderzoeken blijkt dat alleen rouwenden met grote risicofactoren er baat bij hebben, andere onderzoeken tonen aan dat slechts de minderheid van deze groep profiteert van begeleiding (Parkes, 2001).

Volgens Schut (2001) blijkt uit onderzoek dat hoe gecompliceerder het rouwproces is, hoe groter de kans is dat de interventie een positief resultaat heeft. Vooral primaire preventieve steun heeft weinig effect in de zin van het verminderen van rouwsymptomen. Het sorteren van effect heeft wellicht vooral te maken met de wijze waarop de rouwenden benaderd zijn. Ongevraagd aangeboden interventies hebben minder effect dan interventies op verzoek van de rouwende zelf. Schut maakt bij deze vorm van interventie wel een uitzondering voor kinderen. Verder onderzoek op dit gebied is nodig.

Palliatieve Hulpverlening Antwerpen (PHA) vzw, UA - Domein Fort VI - Edegemsesteenweg 100 bus 2 - 2610 Wilrijk ?T. 03 265 25 31 ?E. pha@uantwerpen.be